Oesterpark Oesterput

From Coastal Wiki
Jump to: navigation, search


Oesterpark "Aquacultuurcentrum De Oesterput"(1996-nu)

Loading map...
Hedendaagse kaart van Oostende, met de ligging van het oesterpark van “Aquacultuurcentrum De Oesterput”



In de loop van de jaren 1990 werd in de Spuikom de groei van ‘wilde’ oesters vastgesteld. Het ging hier om de Japanse ‘creuse’ - of Crassostrea gigas – die vanaf 1969, via Nederland, haar intrede gemaakt had in Oostende. Deze variant slaagde er algauw in om de platte oesters (Ostrea Edulis) weg te concurreren, aangezien het om een veel ziekteresistentere soort ging.[1][2] Ondanks de inspanningen om naast de kwetsbare platte weekdieren ook andere soorten oesters vet te mesten, moest de firma ”Halewyck & Cie” in 1973 haar pogingen tot integrale oesterkweek in de Oostendse Spuikom toch opgeven. De toenemende watervervuiling van de kom zorgde immers voor een al te hoog sterftecijfer onder de uitgezette dieren. Onder andere de komst van een waterzuiveringsstation in Oostende en de realisatie van verschillende rioleringswerken deden het tij in de loop van de jaren 1970-1980 echter enigszins keren in de Spuikom. De verbeterde waterkwaliteit en de vondst van de wild groeiende Japanse oesters brachten Jacky Puystens dan ook op het idee om de oesterteelt in deze waterplas een nieuwe kans te geven. Eind 1994 kocht hij de oude gebouwen en kwekerij van ”Halewyck & Cie” op en begin 1996 werden de eerste platte oesters opnieuw uitgezet in de Spuikom. In december 1997 konden liefhebbers uiteindelijk, na meer dan 20 jaar afwezigheid, nog eens proeven van een echte ‘Ostendaise’.[3] Ondertussen waren trouwens ook stappen gezet om de kweek wetenschappelijk te begeleiden. Onder andere het ‘Laboratorium voor Aquacultuur & Artemia Reference Center’ van de Universiteit Gent, de ‘Vlaamse Milieumaatschappij’, de ‘Dienst voor Zeevisserij’ en het ‘Instituut voor Zeewetenschappelijk Onderzoek’ (de voorganger van het ‘Vlaams Instituut voor de Zee’) stonden in voor de wetenschappelijke ondersteuning van dit project. De commerciële kant van de zaak was echter volledig in handen van Jacky Puystjens.[3][1]


Vandaag de dag is de Oostendse Spuikom de enige plaats aan de Belgische kust waar nog oesters gekweekt worden en de enige waterplas die ook officieel erkend is als schelpdierwater. In de loop van de jaren kreeg Puystjens echter af te rekenen met verschillende tegenslagen die een groot commercieel succes tot nu toe in de weg stonden. In 1998-1999 dook bijvoorbeeld de oesterparasiet Bonamia ostreae op in de Spuikom, die de integrale kweek van de platte Ostrea edulis praktisch onmogelijk maakte. Om de productie te verzekeren werd daarom deels overgeschakeld op de teelt van Franse en Zeeuwse creuses, die wel bestand bleken tegen deze parasiet.[4] Een andere bedreiging voor de kweek is bijvoorbeeld ook de overmatige groei van het groenwier Ulva of Zeesla in de Spuikom. Wanneer dit wier afgebroken wordt krijgen de oesters geen zuurstof meer en worden ze uiteindelijk verstikt.[3] Door al deze natuurlijke bedreigingen blijft de grootschalige kweek van de Oostendse oester een moeilijke zaak en laat een verderzetting van het 19e-eeuwse succesverhaal van de ‘Ostendaise’ nog steeds op zich wachten.

Referenties


Meer weten